Ik fotografeer al meer dan twintig jaar. En ik ben er pas de laatste vijf echt goed in geworden.
Niet technisch — dat kwame eerder. Maar in de zin die er voor mij toe doet: ik ben beter geworden in zien wat ik eigenlijk wil fotograferen.
Het probleem met de eerste tienduizend foto’s
Er is een uitspraak — vaak aan Henri Cartier-Bresson toegeschreven, hoewel ik betwijfel of hij het zo heeft gezegd — dat je eerste tienduizend foto’s je slechtste zijn. De gedachte klopt, maar niet om de reden die mensen denken.
Het gaat niet om het oefenen van techniek. Het gaat om het ontleren van wat je denkt dat een goede foto is.
Beginners fotograferen de postkaart. De skyline. Het moment waarvan je weet dat het mooi is. Het probleem: dat moment is al dood op het moment dat je het ziet. Je reageert op een cliché.
De foto’s die me bijblijven — zowel mijn eigen werk als dat van anderen — zijn de foto’s die iets vangen wat je niet had verwacht te zien.
Wat ik heb geleerd van wijnen
Dit klinkt misschien ver gezocht, maar er is een parallelle les in de wijnwereld.
De beste proevingen zijn de proevingen waar je iets drinkt wat je niet snapt. Waar je tong iets registreert dat buiten je referentiekader valt. Dat ongemak — dat is groei.
In fotografie is het hetzelfde. De foto die me het meest heeft verrast was gemaakt op een regenachtige middag in een wijnkelder in de Jura. Ik was er voor iets anders. Mijn camera hing over mijn schouder. En plotseling: het licht door een hoog raam, de schaduwen van de vaten, een man die zijn rug naar me toe had.
Ik had vijf seconden.
De discipline van het weggooien
Van die bewuste sessies gooi ik 95% weg. Niet met pijn — inmiddels met opluching. Elke weggegooid foto is een bewijs dat ik scherper ben geworden in wat ik wil zeggen.
De camera laat me nooit meer los. Maar ik ben ook gestopt met proberen alles vast te leggen.
Sommige dingen zijn er alleen voor de mensen die er op dat moment bij zijn.