Het begon niet met een camera. Het begon met een glas wijn dat ik niet haastig wilde drinken.
Ik weet niet meer precies welk glas het was. Wel dat ik op een gegeven moment besefte dat wijn me leerde kijken. Niet naar de wijn — naar wat er omheen was. Het licht op het glas. De manier waarop een kurk nog net intact op de rand van de fles balanceerde. De kleur van een rode wijn in tegenlicht, die niets te maken heeft met hoe hij smaakt.
Fotografie volgde daaruit. Niet als carrière, niet als ambacht. Als reflex.
Wat me trekt
Wat me trekt in een foto is hetzelfde wat me trekt in een glas: specifieke details die iets vertellen over een groter geheel. Een portretfoto is geen registratie van een gezicht. Het is een moment waarop iemand zichzelf vergeet, of juist niet. Een landschapsfoto is geen document van een plek. Het is een interpretatie van wat ik op dat moment zag.
Wijn is ook interpretatie. Twee mensen die dezelfde fles drinken, proeven niet hetzelfde. Dat is geen fout in het systeem. Dat is het systeem.
De gewoonte
Er is één ding dat fotografie en wijn delen: de beste momenten komen niet als je haast hebt. Je kunt een foto technisch correct maken in een fractie van een seconde. Een goede foto vraagt meer. Wachten. Bewegen. Terugkomen.
Ik fotografeer portret, wijn, landschap en reportage. Vier genres die op het eerste gezicht weinig met elkaar te maken hebben. Maar de vraag die ik mezelf bij elk onderwerp stel, is dezelfde: wat wil ik dat de kijker ziet, en wat wil ik dat hij zelf moet ontdekken?
Die balans is het moeilijkste. En het meest interessante.
Precies kijken is een gewoonte die je traint. Ik merkte het vorige week nog: een glas wit in tegenlicht, de manier waarop de belletjes aan de zijkant bleven hangen. Ik had mijn camera niet bij me. Ik stond op om hem te halen.